2.2. Geschiedenis.
Terug naar inhoudstafel.

Geschiedenis1

De interneringsmaatregel werd in België ingevoerd door de (eerste) wet van 09 april 1930. Vóór deze datum hadden de rechters enkel de beschikking over art 71 Sw. (voordien art; 64 Sw.), dat het mogelijk maakte beklaagden die een delicht pleegden in een toestand zoals omschreven in artikel 71 Sw./art. 64 Sw. van rechtsvervolging te ontslaan of vrij te spreken, en hen eventueel op vordering van het openbaar ministerie in een krankzinnigeninrichting te laten opnemen (collocatie).

Deze nieuwe wet 'ter bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers' werd op later vervangen door de wet van 01 juli 1964, die slechts enkele wijzigingen aan de bestaande wet aanbracht.

Al van bij de verschijning van de wet, werd ze aan zware kritieken onderworpen. hoewel meerdere commissies aan het werk werden gezet, werden aan deze kritieken nauwelijks toegemoet gekomen.

De commissie Cornil-Braffort (1939) suggereerde krankzinnigen (opnieuw) te colloceren en de abnormalen te interneren. Een tweede commissie (de commissie Braas) legde de basis voor de nieuwe wet van 1964, die de duurtijd van de internering onbepaald maakte, de rechten van de verdediging beter waarborgde, en de commissie ter Bescherming van de Maatschappij meer bevoegdheden verschafte om hun werk uit te voeren.

De Koninklijk Commissaris R. Legros was in 1985 van oordeel dat de wet niet diende hervormd te worden, al stelde hij voor de bevoegdheden van de Commissie over te dragen aan executierechtbanken. Ook de Commissie voor de Herziening van het Strafwetboek heeft in 1986 enkele minimale wijzigingen voorgesteld: afschaffing van het recht op hoger beroep door het openbaar ministerie;de verplichte zesmaandelijkse verschijning van de Commissie voor de Bescherming van de Maatschappij, enz … .

Aan de wet van 1964 werden tot op vandaag dan ook slechts enkele minimale wijzigingen aangebracht: de invoering van een artikel dat de invrijheidstelling van een geïnterneerde die een minderjarige seksueel misbruikt, slecht toelaat na voorafgaand advies van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele deliquenten (wet 13 april 1995);de mogelijkheid op beroep tegen een afwijzing van vraag tot invrijheidsstelling (wet 10 februari 1998) en de wijziging van de titel van de wet in "wet bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele feiten".

Naar aanleiding van de kritieken op de interneringswetgeving door de commissie van de Raad van Europa en een aantal externe gebeurtenissen, denk bijvoorbeeld aan de verdwijningen van en de moorden op Stacy en Nathalie in 2006, werd op 10 januari 2007 de huidige wet als ontwerp ingediend in het parlement. Reeds voor deze datum werden al enkele wetsvoorstellen voorgelegd.

De commissie Delva, werkzaam van 1996 tot 1999, speelde een belangrijke rol in de totstandkoming van de nieuwe wet Het rapport.
Delva vatte de kritieken op de huidige wetten samen en stelde een aantal oplossingen voor. Deze nieuwe wet heft de wet van 1 juli 1964 op en omvat een aantal nieuwe krachtlijnen.

De nieuwe wet vervangt met het concept ‘geestesstoornis’ de begrippen ‘krankzinnigheid’, ‘ernstige staat van geestesstoornis’ en ‘zwakzinnigheid’.

In de beslissing tot internering wordt met de nieuwe wet niet alleen rekening gehouden met het wilsvermogen (het controleren van daden) als criterium enerzijds, maar anderzijds met het intellectueel (of onderscheidings)vermogen van de betrokkene.

Verder dient de geestesstoornis het controleren van de daden ofwel volledig doen verdwijnen ofwel ernstig aantasten. Bijgevolg zal de rechter ofwel beslissen tot straffen ofwel de internering opleggen, wat niet evident is in geval van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De nieuwe definitie van het begrip internering luidt bijgevolg: ‘de internering is een veiligheidsmaatregel, die ertoe strekt de maatschappij te beschermen, en de geïnterneerde, persoon met een geestesstoornis, te verzorgen om zijn reïntegratie in de maatschappij mogelijk te maken’.

Een tweede innovatie in de interneringswet is het psychiatrisch deskundigenonderzoek dat uitgevoerd dient te worden vóór de rechter zich uitspreekt over de internering. Deze innovatie in de wet verwijst ondermeer naar de kritiek op het feit dat expertise in de huidige wet niet verplicht en vaak kwalitatief zwak is. De deskundige dient te beoordelen of de persoon op het ogenblik van de feiten alsook op het moment van het onderzoek, leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet heeft gedaan of ernstig heeft aangetast.

Verder dient de causaliteit worden nagegaan tussen de geestesstoornis en de feiten, en de mogelijkheid dat de betrokkene nieuwe misdrijven pleegt. Daarnaast moet worden vastgesteld of en hoe de persoon kan worden behandeld, begeleid en verzorgd met het oog op zijn reïntegratie in de maatschappij.

Met betrekking tot de beslissing tot de internering worden de uitgangspunten van de huidige wet behouden: het onderscheid tussen straf en maatregel, en het opleggen van de interneringsmaatregel bij wanbedrijven en misdaden.

De rechtspositie van de geïnterneerde veroordeelde (artikel 21 van de huidige wet) wordt met de nieuwe wet aangepast.
Gevaarlijk gestraften kunnen namelijk bij het naderen van hun strafeinde geïnterneerd worden zonder enige vorm van proces, waardoor de gedetineerde zich niet kan verdedigen. Er is hierbij sprake van een schending van de fundamentele mensenrechten.

Naar de uitvoering van de interneringswet toe, werden een aantal procedureregels opgesteld.
Artikel 25, bijvoorbeeld, stelt dat de invrijheidstelling op proef pas toegekend kan worden aan een geïnterneerde die eerder uitgangspermissies, verloven, beperkte detentie of elektronisch toezicht werd toegekend.

Een grote verandering die de nieuwe wet met zich meebrengt, is de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken. Dit betekent dat de CBM’s en de Hoge commissie zullen afgeschaft worden en dat er voortaan één rechtbank bevoegd zal zijn voor de uitvoering van de straffen en de interneringsmaatregel.

Kenmerkend aan de strafuitvoeringsrechtbanken is de professionalisering van het beslissend college over de uitvoering van de interneringsmaatregelen. De leden zullen voltijds en permanent zetelen, integenstelling tot de huidige situatie, waar beroep wordt gedaan op de welwillendheid van de leden.

De nieuwe wet van 21 april 2007 werd geacht van kracht te gaan op 1 januari 2009. Tot op heden is dit niet het geval. De overdracht van de uitvoering van de interneringsmaatregelen aan de strafuitvoerings-rechtbanken wordt eveneens uitgesteld. (Commissie tot Bescherming van de Maatschappij te Gent, 2008).

Uit de praktijk wordt vernomen dat er opnieuw gesleuteld wordt aan deze wet en dat deze zal omgevormd worden tot een nieuwe wet die mogelijks van kracht gaat in 2012. De strafuitvoeringsrechtbanken zijn tot op heden nog niet bevoegd voor geïnterneerden, wel oordelen ze over straffen van meer dan drie jaar.

Terug naar inhoudstafel.
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License