2.3.4. Tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing tot internering

HOOFDSTUK I. - Bepaling van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en van de bijhorende voorwaarden.

Afdeling I. - De plaatsing en overplaatsing

Art. 17.
De plaatsing is de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot aanwijzing van de inrichting waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.
De overplaatsing is de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank of, in dringende gevallen, van de strafuitvoeringsrechter tot aanwijzing van de inrichting waarnaar de geïnterneerde dient te worden overgebracht.
De inrichting wordt gekozen hetzij uit de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij uit inrichtingen die zijn georganiseerd door privé-instellingen, de gemeenschappen of de gewesten, of door de lokale overheden die voldoen aan de gestelde voorwaarden inzake veiligheid en in staat zijn de gepaste zorgen te verstrekken.

Afdeling II. - De uitgaansvergunning en het verlof.

Onderafdeling I. - Definities.

Art. 18.
§ 1. De uitgaansvergunning laat de geïnterneerde toe de inrichting te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
§ 2. De uitgaansvergunningen kunnen aan de geïnterneerde worden toegekend om :
1. sociale, morele, juridische, familiale, therapeutische, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen;
2. een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan;
3. zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.

Art. 19.
§ 1. Het verlof laat de geïnterneerde toe de inrichting gedurende een periode van minimum één dag en maximum zeven dagen per maand te verlaten.
§ 2. Het verlof heeft tot doel :
1. de familiale, affectieve en sociale contacten van de geïnterneerde in stand te houden en te bevorderen;
2. de sociale reïntegratie van de geïnterneerde voor te bereiden door hem geleidelijk naar de maatschappij te laten terugkeren.

Onderafdeling II. - Voorwaarden.

Art. 20.
De uitgaansvergunning en het verlof kunnen worden toegekend aan de geïnterneerde die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. er bestaan in hoofde van de geïnterneerde geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
- de onvoldoende verbetering van de geestesstoornis waaraan de geïnterneerde lijdt;
- het gevaar dat de geïnterneerde zich aan de uitvoering van de internering zou onttrekken;
- het risico dat hij tijdens deze modaliteiten ernstige strafbare feiten zou plegen;
- het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen.
2. de geïnterneerde stemt in met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning of het verlof kunnen worden verbonden krachtens de artikelen 48 en 49.

Afdeling III. - De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef.

Onderafdeling I. - Definities.

Art. 21.
§ 1. De beperkte detentie is een modaliteit van uitvoering van een beslissing tot internering die de geïnterneerde toelaat op regelmatige wijze de inrichting te verlaten voor een duur van maximum twaalf uren per dag.
§ 2. De beperkte detentie kan aan de geïnterneerde worden toegekend om therapeutische, professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen.

Art. 22.
Het elektronisch toezicht is een modaliteit van uitvoering van een beslissing tot internering waardoor de geïnterneerde de hem opgelegde veiligheidsmaatregel buiten de inrichting ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.

Art. 23.
De invrijheidstelling op proef is een modaliteit van uitvoering van de internering waardoor de geïnterneerde de hem opgelegde veiligheidsmaatregel ondergaat mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende een welbepaalde termijn worden opgelegd.

Onderafdeling II. - Voorwaarden.

Art. 24.
De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef kunnen worden toegekend aan de geïnterneerde die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1. er bestaan in hoofde van de geïnterneerde geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
- de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de geïnterneerde;
- de onvoldoende verbetering van de geestesstoornis waaraan de geïnterneerde lijdt;
- het risico dat hij van ernstige strafbare feiten zou plegen;
- het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen
- de houding van de geïnterneerde ten aanzien van de slachtoffers van de als misdaad of wanbedrijf omschreven feiten die tot zijn internering hebben geleid;
- indien de betrokkene geïnterneerd is voor de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten, indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de weigering of ongeschiktheid van de geïnterneerde om aan een voor hem noodzakelijk geachte begeleiding of behandeling te volgen.
2. de geïnterneerde stemt in met de voorwaarden die aan de beperkte detentie, het elektronisch toezicht of de invrijheidstelling op proef kunnen worden verbonden krachtens de artikelen 48, 49 en 50.

Art. 25.
De invrijheidstelling op proef kan slechts worden toegekend aan de geïnterneerde die reeds één van de in de artikelen 18, 19, 21 of 22 bedoelde modaliteiten heeft genoten.

HOOFDSTUK II. - Eerste zitting.

Afdeling I. - De beslissing tot plaatsing.

**Art. 26. **
§ 1. Het openbaar ministerie bij het gerecht dat de internering bevolen heeft, maakt binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest tot internering de zaak aanhangig bij de strafuitvoeringsrechtbank met het oog op het laten aanwijzen van de inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd.
§ 2. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. De geïnterneerde, zijn raadsman en de directeur, indien de geïnterneerde gedetineerd is, worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 4. Het dossier, dat door het openbaar ministerie wordt samengesteld en ten minste bestaat uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister en de verslagen van het deskundigenonderzoek, wordt gedurende ten minste vier dagen voor de rechtsdag ter inzage gehouden van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde gedetineerd is, op de griffie van die gevangenis.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.

Art. 27.
De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, en, indien de geïnterneerde gedetineerd is, de directeur.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.

Art. 28.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

Art. 29.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.

Art. 30.
§ 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt in welke inrichting de internering ten uitvoer dient te worden gelegd.
Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.

Afdeling II. - De beslissing tot toekenning van beperkte detentie of elektronisch toezicht.

Art. 31.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank op de in artikel 26, § 2, bepaalde zitting van oordeel is dat de geïnterneerde die beantwoordt aan de in artikel 24 bedoelde voorwaarden mits het opleggen van voorwaarden onder beperkte detentie of elektronisch toezicht kan worden geplaatst, stelt zij de behandeling van de zaak uit tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die geïnterneerd zijn wegens het plegen van een van de feiten die bedoeld worden in de artikelen 137, ingeval dit de dood heeft veroorzaakt, 376, eerste lid, 417ter, derde lid, 2°, en 428, § 5, van het Strafwetboek.

Art. 32.
De strafuitvoeringsrechtbank kan met het oog op het toekennen van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht respectievelijk de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en van deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.

Art. 33.
Het slachtoffer wordt bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.

Art. 34.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde gedetineerd is, op de griffie van die gevangenis.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.

Art. 35.
De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman en het openbaar ministerie, en, indien de geïnterneerde gedetineerd is, de directeur.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.

Art. 36. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

Art. 37.
§ 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
§ 2. In geval van toekenning van de beperkte detentie bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in welke inrichting de internering ten uitvoer dient te worden gelegd.
§ 3. In geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht zijn de artikelen 48, 49, 50, 53 en 56 van toepassing.

HOOFDSTUK III. - Verder beheer van de internering.

Afdeling I. - Algemene procedure inzake de overplaatsing, de in artikel 18, § 2, 3°, bedoelde uitgaansvergunning het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef.

Onderafdeling I. - De toekenningsprocedure.

Art. 38.
§ 1. De overplaatsing, de in artikel 18, § 2, 3°, bedoelde uitgaansvergunning het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef worden toegekend door de strafuitvoeringsrechtbank, op advies van de directeur.
§ 2. Op zijn vroegst tien maanden en uiterlijk twaalf maanden na de eerste beslissing tot plaatsing, brengt de directeur een advies uit over de eventuele noodzaak om de geïnterneerde over te plaatsen of over diens eventuele wens om te worden overgeplaatst, en over de wenselijkheid van de bij de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bepaalde modaliteiten. De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.

Art. 39.
§ 1. Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen en hoort hij de geïnterneerde.
Dit dossier omvat :
- in voorkomend geval, een afschrift van de opsluitingsfiche;
- een afschrift van de vonnissen en arresten;
- de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd;
- een uittreksel uit het strafregister;
- een medisch-psychiatrisch verslag;
- een psychosociaal verslag;
- indien de betrokkene geïnterneerd is voor de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, het met redenen omkleed advies dat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen omvat en dat opgesteld is door een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten;
- in voorkomend geval, de memorie van de geïnterneerde of van zijn raadsman.
Indien de geïnterneerde verblijft in een inrichting die georganiseerd is door een privé-instelling, een gemeenschap of een gewest, of door een lokale overheid die voldoet aan de gestelde voorwaarden inzake veiligheid en die in staat is de gepaste zorgen te verstrekken, worden het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten en het uittreksel uit het strafregister door het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd.
§ 2. Het advies van de directeur omvat een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de overplaatsing en de in de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bepaalde modaliteiten en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde.
§ 3. Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de geïnterneerde.
§ 4. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de bij artikel 38, § 2, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op schriftelijk verzoek van de raadsman van de geïnterneerde, de minister of de rechtspersoon op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bepaalde termijn en om aan de geïnterneerde en diens raadsman een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de raadsman van de geïnterneerde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na de ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.

Art. 40.
Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de geïnterneerde en de directeur.

Art. 41.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en van deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.

Art. 42.
§ 1. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het advies van de directeur. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 40 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
§ 2. De geïnterneerde en zijn raadsman, de directeur en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie of het secretariaat van de inrichting.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.

Art. 43.
De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.

Art. 44.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

Art. 45.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.

Onderafdeling II. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.

Art. 46.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen over de overplaatsing en over de toekenning van de bij artikel 18, § 2, 3°, bepaalde uitgaansvergunning het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef.

Art. 47.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing tot overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke inrichting de geïnterneerde dient te worden overgebracht. Deze inrichting wordt gekozen hetzij uit de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij uit inrichtingen die zijn georganiseerd door privé-instellingen, de gemeenschappen of de gewesten, of door de lokale overheden die voldoen aan de gestelde voorwaarden inzake veiligheid en in staat zijn de gepaste zorgen te verstrekken.

Art. 48.
Het vonnis tot toekenning van de bij artikel 18, § 2, 3°, bepaalde uitgaansvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht of de invrijheidstelling op proef bepaalt dat de geïnterneerde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de uitgaansvergunning en de beperkte detentie, een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de justitieassistent die met de begeleiding is belast.

Art. 49.
In geval van toekenning van de in artikel 48 vermelde modaliteiten kan de strafuitvoeringsrechtbank de geïnterneerde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die tegemoetkomen aan de in de artikelen 20 of 24 bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.

Art. 50.
In geval van toekenning van een beperkte detentie, elektronisch toezicht of invrijheidstelling op proef kan de strafuitvoeringsrechtbank, indien de geïnterneerde de veiligheidsmaatregel van internering ondergaat voor een van de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten, of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de voorwaarde opleggen van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten gespecialiseerd is.
Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank het bij artikel 39, § 1, tweede lid, bepaalde advies van de dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten niet volgt, neemt zij een bijzonder met redenen omklede beslissing.

Art. 51.
In geval van toekenning van de bedoelde uitgaansvergunning in artikel 18, § 2, 3°, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.

Art. 52.
In geval van toekenning van het verlof bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank het aantal verlofdagen dat de geïnterneerde per maand kan genieten tijdens de bij artikel 55, tweede lid, bepaalde termijn.

Art. 53.
§ 1. In geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank de termijn waarvoor deze modaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan eenmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt de krachtlijnen van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
De justitieassistent of, in voorkomend geval, het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, is belast met de concrete invulling van de toegekende modaliteit overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels.
§ 3. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt het aantal verlofdagen dat de geïnterneerde per maand kan genieten tijdens de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
§ 4. Vijftien dagen voor het einde van de in § 1 bepaalde termijn beslist de strafuitvoeringsrechtbank over de verlenging van de toegekende modaliteit, of over de omzetting van de maatregel van beperkte detentie tot in maatregel van elektronisch toezicht.
De geïnterneerde en zijn raadsman, de directeur, indien de geïnterneerde in beperkte detentie is, en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde in beperkte detentie is, op de griffie of het secretariaat van de inrichting waar hij verblijft.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
De strafuitvoeringsrechter kan, op advies van de psychiater van de inrichting, aan de geïnterneerde de toegang tot zijn dossier ontzeggen wanneer deze toegang een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.
§ 5. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman, de directeur, indien de geïnterneerde in beperkte detentie is, en het openbaar ministerie.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 6. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 56 is van toepassing.
§ 7. Bij het verstrijken van de overeenkomstig in §§ 1 en 4 bepaalde termijn kent de strafuitvoeringsrechtbank aan de geïnterneerde de invrijheidstelling op proef toe.
De §§ 4, tweede tot vijfde lid, en 5 zijn van toepassing.
De artikelen 54 en 56 zijn van toepassing.

Art. 54.
In geval van invrijheidstelling op proef bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden waaraan de geïnterneerde gedurende een verlengbare termijn van twee jaar wordt onderworpen.

Art. 55.
Behalve in het geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens, indien zij de invrijheidstelling op proef niet toekent, de datum waarop de directeur overeenkomstig artikel 38 een nieuw advies moet uitbrengen.
Deze termijn bedraagt minimum zes maanden en mag niet langer zijn dan een jaar te rekenen van het vonnis.

Art. 56.
§ 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de geïnterneerde in een inrichting verblijft, van de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van de toekenning of de afwijzing van de uitgaansmodaliteiten en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een of meer in de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geïnterneerde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de geïnterneerde zijn verblijfplaats heeft;
- aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch toezicht, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft.

Onderafdeling III. - De aanvang van de uitvoering van de in hoofdstuk I vermelde modaliteiten.

Art. 57.
§ 1. Het vonnis tot toekenning van een in hoofdstuk I van deze titel bedoelde modaliteit wordt uitvoerbaar op de dag waarop het in kracht van gewijsde is gegaan.
In afwijking van het eerste lid wordt het vonnis tot toekenning van het elektronisch toezicht of de invrijheidstelling op proef uitvoerbaar binnen vier werkdagen nadat het in kracht van gewijsde is gegaan teneinde de justitieassistent toe te laten contact op te nemen met de geïnterneerde om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de modaliteit te bezorgen.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.

Onderafdeling IV. - De wijziging van de beslissing.

Art. 58.
§ 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een in hoofdstuk I vermelde modaliteit door de strafuitvoeringsrechtbank is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de modaliteit die werd toegekend.
§ 2. De geïnterneerde en zijn raadsman worden bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechtbank. De oproeping bij gerechtsbrief schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende modaliteit.
De directeur en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen vóór de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde in een inrichting verblijft, op de griffie of het secretariaat van de inrichting.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.
§ 4. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 56 is van toepassing.

Afdeling II. - Bijzondere procedure inzake de overplaatsing en de uitgaansvergunning.

Onderafdeling I. - De beslissing tot overplaatsing.

Art. 59.
§ 1. De overplaatsing wordt in dringende gevallen toegekend door de strafuitvoeringsrechter, op verzoek van de geïnterneerde of zijn raadsman of van de directeur van de inrichting waar de geïnterneerde is geplaatst.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie of het secretariaat van de inrichting.
In voorkomend geval zendt de griffie of het secretariaat van de inrichting het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op en zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter.
§ 3. Binnen zeven dagen na de ontvangst van het verzoek op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank neemt de strafuitvoeringsrechter een voorlopige beslissing.
Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.
§ 4. De strafuitvoeringsrechtbank neemt, overeenkomstig de artikelen 26, 27, 28, 29 en 30, een definitieve beslissing aangaande het verzoek tot overbrenging op de eerstvolgende nuttige zitting.

Art. 60.
In dringende gevallen en om redenen van veiligheid kan de minister de voorlopige overplaatsing van een geïnterneerde naar een federale inrichting bevelen.
Deze beslissing wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de strafuitvoeringsrechtbank, die op de eerstvolgende nuttige zitting een definitieve beslissing neemt overeenkomstig de artikelen 26, 27, 28, 29 en 30.

Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 18, § 2, 1° en 2°.

Art. 61.
§ 1. De in artikel 18, § 2, 1° en 2°, bedoelde uitgaansvergunning, wordt toegekend door de strafuitvoeringsrechter, op verzoek van de geïnterneerde of zijn raadsman en na een met redenen omkleed advies van de directeur.
Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.
§ 2. Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank.
Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op en zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 3. Binnen zeven dagen na de ontvangst van het dossier op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank neemt de strafuitvoeringsrechter een beslissing.

Art. 62.
Het vonnis tot toekenning van de uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en bepaalt dat de geïnterneerde onderworpen is aan de algemene voorwaarde dat hij geen strafbare feiten mag plegen.
De strafuitvoeringsrechter kan de geïnterneerde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen teneinde tegemoet te komen aan de in artikel 20 vastgestelde tegenaanwijzingen.

Art. 63.
Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.

Afdeling III. - Opvolging en controle van de in de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten.

Art. 64.
§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 19 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de geïnterneerde tijdens het verloop van de in de artikelen 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten.
§ 2. Indien een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht wordt toegekend, brengt de justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit verslag uit over het verloop van de modaliteit aan de strafuitvoeringsrechtbank, en verder telkens hij het nuttig acht of de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. De justitieassistent, of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechtbank en de justitieassistenten en, in voorkomend geval, het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.
§ 3. De directeur brengt over het verloop van de met een bepaalde periodiciteit toegekende uitgaansvergunning, het verlof of de beperkte detentie verslag uit aan de strafuitvoeringsrechtbank wanneer hij het nuttig acht of indien de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt. De directeur stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechtbank en de directeur gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden gezonden.
§ 4. De strafuitvoeringsrechtbank kan aan de Dienst Justitiehuizen de opdracht geven het verloop van het verlof te evalueren.
Deze evaluatie wordt in de vorm van een verslag gericht aan de strafuitvoeringsrechtbank, dat in kopie aan het openbaar ministerie en aan de directeur wordt gezonden.
§ 5. Indien aan de toekenning van een modaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een behandeling te volgen, brengt de persoon of dienst die de opdracht aanneemt aan de strafuitvoeringsrechtbank alsook aan de justitieassistent, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit en telkens als die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de strafuitvoeringsrechtbank en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de behandeling.
Het in het eerste lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde consultaties, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.

Art. 65.
§ 1. De geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur kunnen de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken een of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde in een inrichting verblijft, op de griffie of het secretariaat van die inrichting.
De griffie of het secretariaat van de inrichting zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek over aan de andere partijen.
Indien het voorwaarden betreft die zijn opgelegd in het belang van het slachtoffer, wordt eveneens onverwijld een afschrift van het verzoek overgezonden aan het slachtoffer.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, de directeur en, in voorkomend geval, het slachtoffer deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na de ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, kan ze op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijke verzoek. De geïnterneerde en zijn raadsman evenals het openbaar ministerie worden gehoord.
Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de geïnterneerde en zijn raadsman en aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.,De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 56, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.

Afdeling IV. - De herroeping, de schorsing en de herziening van de in de artikelen 17, 18, § 2, 3°, 19, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten.

Onderafdeling I. - De herroeping.

Art. 66.
Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende modaliteit, de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
1° wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de geïnterneerde tijdens het verloop van de hem toegekende modaliteit een misdaad of een wanbedrijf heeft gepleegd;
2° wanneer de geïnterneerde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden;
3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
4° wanneer de geïnterneerde geen gevolg geeft aan oproepingen van de strafuitvoeringsrechtbank, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de justitieassistent;
5° wanneer de geïnterneerde zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
6° wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de geestestoestand van de geïnterneerde in die mate achteruitgegaan is dat de toegekende modaliteit niet langer aangewezen is.

Art. 67.
In geval van herroeping van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geïnterneerde onmiddellijk in een inrichting geplaatst die wordt aangewezen door de strafuitvoeringsrechtbank.
In geval van herroeping van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.

Onderafdeling II. - De schorsing.

Art. 68.
§ 1. In de in artikel 66 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. In geval van schorsing van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geïnterneerde onmiddellijk in een inrichting geplaatst die wordt aangewezen door de strafuitvoeringsrechtbank.
In geval van schorsing van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.
§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechtbank de modaliteit of heft zij de schorsing van de modaliteit op. In dat laatste geval kan de modaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 69. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de oorspronkelijke toegekende modaliteit hervat onder dezelfde voorwaarden als voorheen.

Onderafdeling III. - De herziening.

Art. 69.
§ 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 66 of 68 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping niet noodzakelijk is in het belang van de geïnterneerde, van de samenleving of van het slachtoffer, kan zij de modaliteit herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De modaliteit wordt evenwel herroepen indien de geïnterneerde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.

Onderafdeling IV. - De procedure.

Art. 70.
§ 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechtbank.
De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank en uiterlijk binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking.
De geïnterneerde en zijn raadsman en het slachtoffer worden ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per gerechtsbrief opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien hij in een inrichting verblijft, op de griffie of het secretariaat van die inrichting.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman, alsook het openbaar ministerie.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Indien het de niet-naleving betreft van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping, de schorsing of de herziening.
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de modaliteit of, in geval van herziening, van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden.
§ 6. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 56, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.

Afdeling V. - De voorlopige aanhouding.

Art. 71.
In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 66, 1° tot 5°, herroeping mogelijk is, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de geïnterneerde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank en het openbaar ministerie daarvan onmiddellijk de kennis in te stellen.
De bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geïnterneerde over de schorsing van de toegekende modaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geïnterneerde en zijn raadsman, aan het openbaar ministerie en aan de directeur.
De beslissing tot schorsing is overeenkomstig artikel 68, § 3, geldig voor de duur van één maand.

HOOFDSTUK IV. - De definitieve invrijheidstelling.

Afdeling I. - Voorwaarden.

Art. 72.
De definitieve invrijheidstelling kan worden toegekend aan de geïnterneerde :
- bij het verstrijken van de in artikel 54 bepaalde proeftermijn én
- op voorwaarde dat de geestesstoornis die aanleiding heeft gegeven tot de internering voldoende verbeterd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde zich in een staat bevindt die een gevaar uitmaakt.

Afdeling II. - De toekenningsprocedure.

Art. 73.
Eén maand voor het einde van de proeftermijn waaraan de invrijheidstelling op proef overeenkomstig artikel 54 onderworpen is, beslist de strafuitvoeringsrechtbank over de definitieve invrijheidstelling.
Met het oog op het nemen van die beslissing laat de strafuitvoeringsrechtbank een nieuw psychiatrisch onderzoek uitvoeren.
§ 2. De geïnterneerde en zijn raadsman worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.

Art. 74.
De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman evenals het openbaar ministerie.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.

Art. 75.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.

Art. 76.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
In voorkomend geval blijft de geïnterneerde onderworpen aan de hem opgelegde voorwaarden tot hem de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 81 is ter kennis gebracht.

Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.

Onderafdeling I. - Algemene bepaling.

Art. 77.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen over de definitieve invrijheidstelling.

Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning.

Art. 78.
De beslissing tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling maakt een einde aan de proeftermijn.

Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning.

Art. 79.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank de definitieve invrijheidstelling niet toekent, verlengt zij de proeftermijn van de invrijheidstelling op proef, onder dezelfde voorwaarden als voorheen, met een duur van maximum twee jaar. Ze kan die verlenging hernieuwen.

Art. 80.
Eén maand voor het einde van de overeenkomstig artikel 79 verlengde proeftermijn beslist de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 73 tot 79 over de definitieve invrijheidstelling.

Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.

Art. 81.
§ 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtbrief ter kennis gebracht van de geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur, indien de geïnterneerde in een inrichting verblijft.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van de toekenning van de definitieve invrijheidstelling.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geïnterneerde tijdens de invrijheidstelling op proef is gevestigd;
- aan de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;,- aan de directeur van het justitiehuis dat met de begeleiding is belast.

terug naar Wetgeving

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License