2.3.3. De gerechtelijke fase van de internering

Hoofdstuk I. Het psychiatrisch deskundigenonderzoek.

Art. 5.
§ 1. Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 8 bedoelde toestand, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten een psychiatrisch deskundigenonderzoek bevelen teneinde ten minste vast te stellen :
1. dat de persoon op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het onderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast;
2. dat er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten;
3. dat het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis opnieuw misdrijven pleegt;
4. dat en hoe de persoon kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn reïntegratie in de maatschappij.
§ 2. Het psychiatrische deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
Daarenboven dient de deskundige vooraf erkend te zijn door de minister die bevoegd is voor de Volksgezondheid, of door zijn afgevaardigde.
Binnen vierentwintig maanden te rekenen van de inwerkingtreding van dit artikel bepaalt de Koning de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van de erkenning. Hij bepaalt de rechten en de plichten van de erkende deskundigen. Hij bepaalt de sancties die kunnen worden opgelegd bij het niet-naleven van de erkenningsvoorwaarden.
§ 3. De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig het door de Koning vastgestelde model.
§ 4. De bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, met uitzondering van artikel 6, zijn van toepassing op het psychiatrisch deskundigenonderzoek

Art. 6.
§ 1. Wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat een persoon die overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is opgesloten, zich bevindt in een in artikel 8 bedoelde toestand, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten bevelen dat hij wordt onderworpen aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek met opneming ter observatie.
In dat geval wijzen ze de psychiatrische afdeling van de gevangenis aan, waarnaar de verdachte ter observatie moet worden overgebracht.
§ 2. Tijdens de inobservatiestelling, die vier maanden niet te boven mag gaan, blijft de verdachte in hechtenis op grond van de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
§ 3. Na afloop van de observatieperiode, namelijk hetzij na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, hetzij wanneer de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de overheid die de opneming ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw geplaatst in een gevangenis en blijft hij in hechtenis op grond van het bevel tot aanhouding, tenzij de internering met onmiddellijke opsluiting wordt bevolen overeenkomstig artikel 9.
De inobservatiestelling wordt beëindigd in geval van opheffing van het bevel tot aanhouding.

Art. 7.
De persoon die aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan aan de gerechtelijke deskundigen schriftelijk alle voor het deskundigenonderzoek dienstige inlichtingen van de arts van zijn keuze overzenden. Deze arts wordt op de hoogte gebracht van de doelstellingen van het psychiatrisch deskundigenonderzoek.
De gerechtelijke deskundigen spreken zich over deze inlichtingen uit alvorens hun conclusies te formuleren en voegen deze inlichtingen toe aan hun verslag.

Hoofdstuk II. Rechterlijke beslissingen tot internering.

Art. 8.
§ 1. De onderzoeksgerechten, tenzij het gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of als drukpersmisdrijven, en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon :
- die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld en
- die op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en
- ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij tengevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen.
§ 2. De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde psychiatrisch deskundigenonderzoek.

Art. 9.
Wanneer de onderzoeks- of vonnisgerechten de beklaagde of de beschuldigde interneren, kunnen zij, op vordering van de procureur des Konings, zijn onmiddellijke opsluiting bevelen, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden zou vormen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees wettigen.
Over deze genomen beslissing moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de internering. De beklaagde of de beschuldigde en zijn raadsman worden gehoord als ze aanwezig zijn. Tegen deze beslissingen kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld.

Art. 10.
Indien de beklaagde of de beschuldigde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is in een gevangenis of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting van een verdachte of beschuldigde beveelt, vindt de internering voorlopig plaats in de door het onderzoeks- of vonnisgerecht aangeduide psychiatrische afdeling van een gevangenis.

Art. 11.
§ 1. Wanneer de vordering of het verzoek tot internering bij de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is gemaakt, laat zij ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt en dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.
§ 2. Binnen de in § 1 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 1 bepaalde vormen en termijnen.
§ 3. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.
De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een raadsman. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.
Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.

Art. 12.
§ 1. De bij verstek berechte partijen of hun raadsman kunnen op de bij de artikelen 187, 188 en 208 van het Wetboek van strafvordering bepaalde wijze verzet doen tegen de beslissingen van de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling.
§ 2. De procureur des Konings en de partijen of hun raadsman kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer.
Het beroep wordt ingesteld in de vormen en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis, en 204 van het Wetboek van strafvordering. Behalve in het geval dat bedoeld wordt in artikel 205 van het Wetboek van strafvordering en in artikel 1 van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van gevangenzittende of geïnterneerde personen, wordt het beroep ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank.

Art. 13.
§ 1. Indien uit de debatten voor het hof van assisen blijkt dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast of indien de beschuldigde of zijn raadsman daarom verzoekt, worden aan de jury de volgende bijkomende vragen gesteld :
" Staat het vast dat de beschuldigde een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd. ", " Staat het vast dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast. ",
§ 2. Ingeval op die vragen bevestigend wordt geantwoord, doen het hof en de jury uitspraak over de internering overeenkomstig artikel 8 van deze wet en artikel 364 van het Wetboek van strafvordering.
In het arrest van het hof van assisen worden de redenen voor de internering van de beschuldigde vermeld.
Wanneer het een politieke misdaad, een politiek wanbedrijf of een persdelict betreft, kan de internering slechts met eenparigheid van stemmen van het hof en van de gezworenen worden gelast.

Hoofdstuk III. Kosten, teruggave en bijkomende veiligheidsmaatregelen.

Art. 14.
Ingeval de internering wordt bevolen, wordt de beklaagde of de beschuldigde veroordeeld in de kosten en, in voorkomend geval, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.

Art. 15.
§ 1. Eenieder die geïnterneerd is wegens in de artikelen 372 tot 377, 379 tot 380ter, 381, 383 tot 387 van het Strafwetboek bedoelde feiten die zijn gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, kan voor een termijn van één tot twintig jaar het voorwerp uitmaken van een veiligheidsmaatregel waarbij hem door het onderzoeks- of vonnisgerecht het recht wordt ontzegd om :
1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
2° deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;
3° een activiteit toegewezen te krijgen die de betrokkene als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, in een vertrouwens- of gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst.
§ 2. De duur van de overeenkomstig § 1 uitgesproken ontzetting gaat in op de dag waarop de geïnterneerde definitief in vrijheid is gesteld of, bij een invrijheidstelling op proef, op de dag waarop zij is toegekend, voor zover zij niet is herroepen.
Bovendien heeft de ontzetting gevolgen vanaf de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen gerechtelijke beslissing die de ontzetting uitspreekt, onherroepelijk wordt.
§ 3. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest dat overeenkomstig § 1 een ontzetting uitspreekt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een tot zes maanden en met een geldboete van honderd tot duizend euro of met een van die straffen alleen.

Terug naar Wetgeving

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License